
“Power may be at the end of a gun, but sometimes it's also at the end of the shadow or the image of a gun.”
- Jean Genet
Wees, gedetineerde, deserteur, prostitué, vagabond, kruimeldief, schrijver, dramaturg, eenmalig filmmaker en bovenal dichter: het werk en leven van Jean Genet (1910 – 1986) laat zich niet vatten in een enkel sjabloon. Als er al een constante te duiden valt in zijn grillig parcours dan is het wel een allesverterend gevoel van weerstand en verzet. “Vanzelfsprekend voel ik mij aangetrokken tot mensen in opstand”, zei hij in een interview begin de jaren 1980, “want ik heb zelf de behoefte om de hele maatschappij in vraag te stellen.” Reeds in zijn eerste romans, die hem de waardering opleverden van figuren zoals Cocteau, Sartre, Simone de Beauvoir en André Breton, sprak al een hartstochtelijk afkeer jegens elke vorm van maatschappelijke consensus en een doorvoelde genegenheid voor zij die niet “behoren”. Toch duurde het tot Les Paravents, het sluitstuk van de serie ophefmakende toneelstukken die hij schreef in de periode 1950-1960, vooraleer Genet, zij het impliciet, zijn steun uitsprak voor een politieke verzetsbeweging: die van de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijders. Enkele jaren later schreef hij ook een hommage voor Daniel Cohn-Bendit, een van de protagonisten van de “mei 1968” beweging, en protesteerde hij tegen de onmenselijke leefcondities van de immigranten in Frankrijk. In 1970 maakte hij clandestien de overtocht naar de V.S., waar hij zich maandenlang inzette voor de zaak van de Black Panther Partij. In datzelfde jaar reisde hij voor het eerst naar de Palestijnse kampen in Libanon en Jordanië, waar hij met tussenpozen verbleef tot eind 1972. Toen hij er tien jaar later terugging, werd hij geconfronteerd met de ontzettende gevolgen van Israël’s invasie van Libanon. Genet was een van de eerste westerlingen die getuige was van het bloedbad die in het kamp Chatila was aangericht door de Libanese falangisten, met stilzwijgende goedkeuring van de Israëlische krijgsmacht. Zijn Palestijnse ervaringen verwerkte hij in het essay ‘Quatre heures à Chatila’ ("Four Hours in Shatila") en het postuum verschenen boek ‘Un Captif Amoureux’ (“Prisoner of Love”). Hij schreef: “al deze woorden om te zeggen: dit is mijn Palestijnse revolutie, verteld in een door mijn gekozen orde. Naast die van mij is er nog de andere, wellicht meerdere andere.” Meer dan twee decennia na zijn overlijden lijken zijn geschriften alleen maar aan kracht te hebben gewonnen. Twee documentaries peilen naar de resonantie van zijn werk in het licht van de voortschrijdende ghettoïsering van Palestina.
"Obviously I am drawn to peoples in revolt ... because I myself have the need to call the whole of society into question."
"All these words to say, this is my Palestinian revolution, told in my chosen order. As well as mine, there is the other, probably many others. Trying to think the revolution is like waking up and trying to see the logic in a dream."

Richard Dindo
Genet à Chatila (Genet in Chatila)
CH/Palestine, 1999, 16mm on video, colour, stereo, English spoken version, 99’
“De titel van Richard Dindo’s film is misleidend. Opterend voor een documentaire inslag haakt Dindo, die gewoon een van de titels van Genet - Quatre heures à Chatila - parafraseert, de toeschouwer in zekere zin vast vooraleer die mee te nemen in een lang gedicht over de tijd. In het gezelschap van een uitnodigende personage, een jonge Algerijnse journaliste, een Arabische die amper Arabisch praat en behept lijkt met een eindeloze smart, laat Dindo de toeschouwer ontdekken dat de beste manier om op te gaan in tijdsduur is om in te gaan op plaatsen (…) Uitgerust met een luisterrijke taal speelt Genet op een elementaire manier met de fusie van temporele strata: “het heden is altijd hard, de toekomst wordt verondersteld om nog harder te zijn. Het verleden, of eerder dat wat afwezig is, is bekoorlijk, en we leven in het heden.” Om zich te ontdoen van het overwicht van die duurtijden, blijkbaar onlosmakelijk vergroeid met ieder van ons, laat Genet dus de tijdslagen – zijn tijdslagen - in elkaar opgaan: zijn verhaal gaat tegelijk over zijn eerste verblijf in 1970, een tweede in 1982 en een derde in 1983-1984, en al die daartussen. Richard Dindo, die de goeie gewoonte heeft om zich letterlijk te houden aan de teksten van zijn auteurs, mengt – en ontbindt - op zijn beurt zijn lagen: die van de cinematografische tijd en die van Genet. Op die manier gaat hij op in het oeuvre en bewerkstelligt hij, in zijn gezelschap, zijn eigen uitweg uit de tijdsduur. Daar waar zich de grootsheid van Genet situeert in zijn Captif Amoureux, bevindt zich ook het streven - geslaagd - van Dindo.” (Elias Sanbar)

The Otolith Group
Nervus Rerum
GB/Palestine, 2008, video, colour, stereo, English spoken, 32’
“Het is misschien met Nervus Rerum (de titel werd ontleend aan Cicero en betekent iets als ‘de zenuw der dingen’), in 2008 opgenomen in een Palestijns vluchtelingenkamp aan de Westelijke Jordaanoever, dat de visie van de Otolith Group (Kodwo Eshun & Anjalika Sagar) het meest tot zijn recht komt. De video begint met de camera die zich traag beweegt door een achterbuurt in Gaza. Kinderen kijken in stilte toe, terwijl hun blik wordt uitgediept door de bezwerende klankband. Verlaten kookkachels stapelen zich op langs de randen van de weg. Graffiti is overal, een palimpsest van politieke gebeurtenissen. Twee mannen staan naast een vrachtwagen met lege plastieken flessen. “Wij zijn de dood”, verklaart Sagar, “wij zijn dood terwijl we denken te leven”. De woorden zijn onttrokken aan Fernando Pessoa’s ‘Livro do Desassossego’ en Jean Genet’s boek over Palestina, ‘Un Captif Amoureux’. Ze creëren zowel een afstand als een nabijheid tot de trage, verstilde beelden van de settlement (…) Het is hier dat het welslagen van Nervus Rerum en het werk van de Otolith Grouo in het algemeen zich situeert: wanneer beeld en stem er niet in slagen om samen te vallen; wanneer het ‘grote verhaal’ van Palestina een serie van kleinere verhalen wordt. Wanneer representatie faalt omdat het moet.” (Nina Power)