
“Shooting a gun or shooting with a camera, it doesn’t make a difference to me”
- Masao Adachi
“De revolutie is altijd al mijn vast thema geweest”, aldus Masao Adachi (°1939, Japan). “Mensen zeiden: Revolutionaire Cinema! Waarop ik antwoordde: nee. Het is Cinema voor Revolutie.” Van alle filmmakers die zich hebben laten inspireren door de geest van verzet en utopie die in de jaren 1960-1970 de wereld in de ban hield, is Adachi ongetwijfeld een van de meest radicale en volharden strijders. Gewapend met een camera of een geweer: het maakte voor hem nauwelijks verschil uit. Beide instrumenten dienden in zijn visie als mogelijke interventiemiddelen in het bestrijden van elke vorm van politieke of sociale oppressie. Zijn eerste films kwamen dan ook niet toevallig tot stand in de schoot van de Japanse miltante studentenbewegingen die zich in de nasleep van WOII fel afzetten tegen wat werd beschouwd als een antidemocratisch en (in relatie met de V.S.) neokoloniaal beleid. Met zijn surrealistisch getinte en politiek provocerende experimenten schreef hij zich algauw in binnen de zogenaamde “new wave” stromingen die de toenmalige Japanse cultuurwereld op stelten zetten. In die context werkte hij nauw samen met cineasten zoals Nagisa Oshima en vooral Kôji Wakamatsu, met wie hij het erotisch geladen “pink cinema” genre injecteerde met een pittige dosis anarchisme. Het is in de loop van deze excursies, resulterend in controversiële prenten als Seiyûgi (Sex Game, 1968) en Jogakusei gerira (Female Student Guerillas, 1969), dat Adachi leerde filmmaken in guerilla-stijl: snel en goedkoop. In 1971, na een bezoek aan het filmfestival van Cannes, reisden Wakamatsu en Adachi naar Libanon, waar ze een propagandaprent draaiden over de Arabische strijd tegen de Israëlische bezettingen: Sekigun-PFLP: Sekai Senso Sengen (The Red Army / PFLP: Declaration of World War). In 1974 keerde Adachi terug naar Palestina, met het idee om er een tweede film te maken. Uiteindelijk zou hij er 26 jaar blijven, in dienst van de Palestijnse zaak. In 1997 werd hij, onder druk van de Japanse autoriteiten, in gevangenisschap geplaatst in Beiroet. Drie jaar later werd hij uitgewezen naar zijn thuisland, waar hij een bijkomende twee jaar gevangen zat. Eenmaal in vrijheid, vertaalde Adachi zijn ervaringen naar een reeks autobiografische publicaties én een nieuwe film – zijn eerste in meer dan dertig jaar: Yûheisha – Terorisuto (Prisoner/Terrorist, 2006). Vandaag lijkt het activistisch gedachtegoed van Adachi meer dan ooit te resoneren, getuige de serie screenings en restrospectieves die wereldwijd aan zijn werk worden gewijd. Het grootste eerbetoon komt misschien wel van de Franse filmmaker Philippe Grandrieux, die recent een beklijvend cinematografisch portret maakte van de filmmaker.
“The revolution has been continuously my theme. Main subject.” “People Said: Revolutionairy Cinema. I said: No. It’s Cinema for Revolution.”

Philippe Grandrieux
Il se peut que la beauté ait renforcé notre résolution - Masao Adachi (It May be that Beauty has Strengthened our Resolve)
FR, 2011, video, color, stereo, Japanese and French spoken with English subtitles, 75'
Dit is het eerste deel van de filmserie “Il se peut que la beauté ait renforcé notre résolution”, gewijd aan filmmakers die in de loop van de 20ste eeuw hun werk en leven hebben gewijd aan verzet en emancipatie.
“Tussen politiek en cinema, tussen Trotskisme en surrealisme, tussen gewapend verzet en draaiboek, tussen Palestina, Libanon en Japan, tussen eergisteren en vandaag, tussen schoonheid en resolutie, tussen de kunst van het eten en die van het vaderschap: hier situeert zich het al even gewaagde als vastbesloten leven van Masao Adachi, het heerschap met de witte haren die weifelend zijn illusies lijkt te koesteren. Dit is de manier waarop Philippe Grandrieux, trouw aan zijn stijl, gekozen heeft om zijn portret op te stellen, zonder voorbeschikking of onderbreking, door hem te filmen en naar zijn woorden te luisteren zonder hem te begrijpen, door hem te kaderen in besloten close-ups, afwisselend onder- en overbelicht, om hem later beter te kunnen verruilen voor bloeiende kersenbomen, de roerige straten van Tokyo, alledaagse objecten, sijpelende lichtinvallen. Hier en daar laat Grandrieux een aantal fragmenten uit zijn vroegere films aan het woord, waaruit zich onverwachts de frase in de titel laat gevoelen: een paradoxaal programma dat aarzelt om een oever te verbinden met een andere.” (Jean-Pierre Rehm)

Masao Adachi & Koji Wakamatsu
Sekigun-PFLP: Sekai Senso Sengen (The Red Army / PFLP: Declaration of World War)
JP/ Palestine, 1971, 16mm, color, stereo, Japanese and Arabic spoken with English subtitles, 69’
“In 1971 werden Adachi and Wakamatsu uitgenodigd op het filmfestival van Cannes. Op de terugweg hielden ze halt in Beiroet, waar ze werkten aan Sekigun PFLP - Sekai Senso Sengen (The Red Army/PFLP: Declaration of World War), een film gewijd aan het tonen van het ‘alledaagse leven’ van de Arabische guerrilla’s. Wat initieel was geconcipieerd als een newsreel werd getransformeerd in een radicale tekst voor een wereldrevolutie. Als alternatief voor het conventionele regime van filmvertoning werd een mobiele projectiesysteem ontwikkeld, dat tegelijk werd opgevat als deel van een politieke actie. Op die manier werd de film vertoond in Palestina en Europa. De prent kan beschouwd worden als een Japanse sleutelfilm van dat tijdperk, vooral door de manier waarop het volledig de geest van de radicale filmbeweging belichaamt. Het was ook een persoonlijk omslagpunt voor een van de makers: Adachi verliet Japan in 1974 om zich als strijder van het Japanse Rode Leger te wijden aan de Palestijnse revolutie.” (Go Hirasawa)