““It happened in 2001. It was a beautiful winter afternoon. At a bistrot Jean-Marie turns to me: ‘There’s this film by Jean Eustache... I was one of the eight chosen schmucks that he invited to the screening... He was always so unsure – he kept telling us how he thought the film was a useless piece of shit... And when the lights came on, we were all stunned! I told him it was one of the greatest films about the history of France, as great as Renoir’s La Marseillaise. Perhaps the only film ever that you can call an important piece of sociology, without trashing the words film and sociology. I think it’s a film for you.’ Well, that did it. Of course, I had always admired and loved Eustache’s films, and out of the blue comes this mysterious Numéro Zéro: I had to find it! One or two months later, a miracle in Paris: Eustache’s son Boris on the phone, ‘Yes, I think there’s a working print of Numéro Zéro under my bed.’ I called my friend João Bénard da Costa, the late great director of the Portuguese Cinémathéque: “Bring it over, ASAP!” So, the Lab at Film Archives in Lisbon proceeded to restore this magnificent 35mm negative and one day we all sat in the theatre to watch it... and it was my kind of movie all right.”” - Pedro Costa
In the context of the research project “Figures of Dissent (Cinema of Politics, Politics of Cinema)” KASK / School of Arts, www.kask.be.
Jean Eustache beschouwde het maken van zijn eerste speelfilm Numéro zéro als een terugkeer naar het begin van de cinema, waarbij hij het medium terugbracht tot zijn essentie. Een crew bestaande uit hij en zijn zoon en een opstelling met twee camera’s die onregelmatig wisselen van camerahoek — pas wanneer één van de 16mm films opraakt. Eustache verwees ernaar als “het prototype van een film.” “Het is zoiets als L’arrivée du train en gare de La Ciotat (The Arrival of a Train at La Ciotat Station — Auguste & Louis Lumière). Misschien kan de cinema van hieruit verder.” Het is een reductie van de ruimte tot één keuken, één figuur die gedurende de hele looptijd naar de camera gericht is. De film is samengesteld uit lange, stationaire opnames van Odette die tegenover haar kleinzoon aan zijn keukentafel zit. Hij toont zowel een meeslepend (en bewust onversneden) verslag van het weelderige levensverhaal van een vrouw, als een transparant verslag van zijn eigen sobere productie — klapbord en al.
Deze terugkeer naar nul was meer dan alleen een technologische reset — het bracht Eustache, de zogenaamde ‘arbeiders-dandy’, ook terug naar zijn eigen wortels in de arbeidersklasse. De film is een ontmoeting met zijn grootmoeder, een centrale aanwezigheid in zijn leven en de voornaamste zorgfiguur in zijn jeugd. Ondanks zijn sobere opzet is de film verrassend weids: grootmoeder en kleinzoon praten over de hardheid van haar plattelandsjeugd, haar moeizame huwelijk, de dood van haar kinderen en de ontberingen van beide wereldoorlogen. Jean-Marie Straub noemde het “misschien wel de enige film ooit die je een belangrijk stuk sociologie mag noemen, zonder de woorden ‘film’ en ‘sociologie’ geweld aan te doen.” Eronder ligt een geschiedenis — niet alleen een persoonlijke, maar ook die van Frankrijk doorheen de hele 20e eeuw, verteld door zij die zelden hun eigen verhaal kunnen vertellen.



