Drie vriendinnen — Pascale Bodet, Bojena Horackova, en Anne Benhaïem — praten over hun filmprojecten op het terras van een café. Anne beschrijft de film die we op het punt staan te zien: “Twee mankende zestigers, een man en een vrouw, botsen op straat tegen elkaar aan — en vallen.” Als uit een Russische pop komen haar woorden — en zijzelf, als personage — precies op dat moment tot leven op het scherm. Wat volgt is een film die weemoedig Chaplinesk is, doorspekt met de ondoorgrondelijke glim lach van Anne Benhaïem (de naaktslak) en de uitwisselingen met haar aristocratische, aarzelende partner (de slak). Een film gemaakt uit sprekende beelden — het soort dat cinema ons steeds minder vaak geeft: de precieze streling van blote voeten, twee zeventiende-eeuwse vruchtenpitten (perzik en kers), of het ongelijke lot — Pascale: “Ik ben bang dat je gaat zeggen wat er nu volgt” — van een pyjama voor twee à la Lubitsch. (Manuel Asín)



