“Het leven van een geluid moet het filmframe bewonen,” schreef Robert Beavers in een van zijn vele notitieboekjes. Van alle verbazingwekkende films in zijn buitengewone oeuvre evoceert Listening to the Space in My Room het leven van geluiden misschien wel op de meest sprekende manier. Tussen 2002 en 2012 woonde Beavers op de benedenverdieping van een oud huis in Zumikon, een rustige gemeente in Zurich, onder zijn huisbazen, Cécile en Dieter Staehelin, respectievelijk een gepensioneerde dokter en een cellist. Deze film is een lyrische ode aan de Staehelins en aan het leven in een ruimte die ze lange tijd hebben gedeeld, maar ook een verkenning van resonantie als een akoestische eigenheid van een ruimte, waarbij geluid en ruimte via het element tijd worden verbonden. Doorheen de film articuleert Beavers zones van doorlaatbaarheid — tussen verdiepingen, tussen tuin en interieur, tussen subjectiviteiten. Cello’s en vogelgezang voegen zich bij krakende vloerplanken en gedempte voetstappen en gesprekken, en dragen bij aan de beschouwing over de akoestiek van een gedeelde woonruimte. “Ongeveer halverwege de film wordt het geluid van regen eerst geïntroduceerd met zwarte leader en het begeleidt daarna een camerabeweging terwijl de regen in de tuin op grote bladeren valt. Deze rijke en complexe soundscape ademt leven en straalt een kwaliteit uit die de soundtrack naar buiten opent — naar dat wat traditioneel buiten de muziek ligt (noise) en naar de wereld buiten de visuele ruimte van film.” (Luke Fowler)
“Imagine someone boiling down all the impermanent sensations, routines, memories, and emotions that make a home a home into an intensely flavorful reduction, and you begin to understand Beavers’ stunning film. He and his housemates are crystallized at work: the camera sways with the hands of an older man bowing his cello; observes an older woman tending her garden from inside the darkened house; mirrors Beavers himself examining individual frames of film to stage his somatic cuts. The intricately interlaid tracks of sound and image do not abide any standard measure of continuity, and yet there’s something immediately comprehensible in this exquisitely tuned song of the body in space.” (Max Goldberg)



