In haar filmwerk uit de jaren 1970 verkende beeldend kunstenaar Dóra Maurer intensief concepten rond herhaling en de meetbaarheid van verplaatsing en beweging. Het concept van Timing (1973-1980) is van een bedrieglijke eenvoud. Ze beschrijft: “De tijd wordt gemeten door een stuk wit linnen voor een zwarte achtergrond te vouwen: in totaal vouw ik het zeven keer, waarbij ik elke keer opnieuw begin en een extra vouw maak. De afmetingen van het doek komen overeen met het beeldformaat van een 16mm film, de breedte is de afstand tussen mijn twee uitgestrekte armen.” Met zijn variaties en graduele onregelmatigheden in de opdelingen van het beeld — of beter gezegd: opdelingen van het projectiescherm — ondergaat tijd, of de meting van tijd, een transpositie naar het ruimtelijke. Het idee van absolute meetbaarheid wordt subtiel ondermijnd.



